الْخِلَافُ وَالْكُفْرُ
Meningsverschil of ongeloof, waar ligt de grens?
Waarover mag een moslim van mening verschillen, en waarover is er geen verschil mogelijk? De stelregel van de geleerden: weerleg de fout, beschuldig de persoon niet, behalve waar het bewijs beslist.
الْخِلَافُ وَالْكُفْرُ
Meningsverschil of ongeloof?
De weg van de rechtsgeleerde voorgangers, waar ligt de grens?
De stelregel in één zin
Er is een groot verschil tussen twee soorten geschillen:
- ①Verschil in uitleg (khilaaf, idjtihaad): een zaak waarover de geleerden zelf hebben gesproken en verschillend geoordeeld hebben. Hierover mag meningsverschil bestaan. De fout wordt weerlegd met bewijs, de persoon wordt niet beschuldigd van ongeloof.
- ②Ontkenning van wat noodzakelijk bekend is uit de religie (al-ma’loem min ad-dien bid-daroerah), het verwerpen van een verplichting of een verbod dat iedere moslim kent, zoals het gebed, de zakaat of het verbod op zina. Hierover kan geen meningsverschil bestaan: wie het ontkent, is na het vestigen van het bewijs een ongelovige bij consensus van de moslims.
De weg van de salaf: weerleg de dwaling: beschuldig de persoon niet. Takfier (iemand ongelovig verklaren) is geen speelgoed voor leken: het is een uitspraak die alleen de geleerden doen, na het vestigen van het bewijs, met de voorwaarden, en over een daad, niet over een persoon zonder meer.
De eerste kant: waarover meningsverschil mag zijn
De overlevering over de rechter die zich inspant
إِذَا حَكَمَ الْحَاكِمُ فَاجْتَهَدَ ثُمَّ أَصَابَ فَلَهُ أَجْرَانِ
De Profeet ﷺ zei: “Wanneer een rechter een oordeel velt en zich heeft ingespannen (idjtihaad), en het juist is, dan krijgt hij twee beloningen; en wanneer hij zich heeft ingespannen en het fout is, dan krijgt hij één beloning.” (Sahieh Muslim 1716, van ‘Amr ibn al-‘Aas)
Dit is de basis van de tolerantie in de zaken van idjtihaad: wie zich oprecht inspant om de waarheid te vinden en een fout maakt, wordt niet gestraft en niet beschuldigd, hij wordt weerlegd en krijgt zelfs een beloning voor zijn inspanning. De geleerden hebben hieraan toegevoegd: dit geldt zolang hij niet bewust ingaat tegen een duidelijke tekst of tegen de consensus.
Bron: Sahieh Muslim 1716
Voorbeeld: het verlaten van het gebed uit luiheid
Iemand die ontkent dat het gebed verplicht is, terwijl hij het wist, is bij consensus een ongelovige. Ibn ‘Abdoel-Barr: “De moslims zijn eensgezind dat wie de verplichting van het gebed ontkent een ongelovige is die gedood wordt als hij geen berouw toont; en zij verschilden over degene die de verplichting erkent maar haar uit luiheid niet verricht.”
Die laatste kwestie, tark as-salaah uit traagheid, is juist een beroemd meningsverschil tussen de geleerden: de Maalikieten en Sjafie’ieten zagen de verlater niet als ongelovige (hij wordt als moslim gewassen en begraven), de Hanbalieten zagen hem wel als ongelovige, en Ibn ‘Oethaymien koos: “Alleen de absolute verlater, die nooit bidt, verklaar ik ongelovig; wie soms bidt, niet.” Zie hier de werkwijze: de geleerden wegen de teksten, zij verschillen, en niemand van hen heeft de andere van ongeloof beschuldigd.
Bron: islamqa 194309: Ibn ‘Abdoel-Barr (al-Istidhkaar 2/149) en het meningsverschil over tark as-salaah
Maar opgelet: niet alles is idjtihaad: het voorbeeld van Iblies
De geloofsleer wordt alleen uit de Koran en de sahieh-soennah opgebouwd
De geloofsleer (agiedah) rust op twee zaken: het Boek van Allah en de sahieh-soennah van Zijn Profeet ﷺ. De geleerden zijn hierin streng: een zwakke overlevering wordt niet als bewijs gebruikt, niet in de geloofsleer, en niet voor wat toegestaan of verboden is; daarvoor is een sahieh-keten nodig. En zij waarschuwen: in de lessen en preken wordt alleen gezegd wat bij de Profeet ﷺ bewezen is, want “in de duidelijke verzen en de sahieh-overleveringen is wat voldoende is” (de Lajnah).
Daarbij komt: de geloofsleer wordt niet gevormd uit de mening van een uitlegger (moeffassir). De uitlegger legt de tekst uit: hij vervangt de tekst niet. Wie een overlevering op tafel legt die ingaat tegen een duidelijk Koran-vers, legt dus geen fundament voor een leer: een zwakke overlevering kan een duidelijke tekst nooit tegenspreken. De Koran heeft de eerste plaats.
Bronnen: islamweb 135189: geen zwakke overlevering in geloofsleer en halal/haraam · Ibn Baaz, fatwa 19991: alleen sahieh in preek en onderwijs
De vers is duidelijk, de mening heeft geen fundament
وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ كَانَ مِنَ الْجِنِّ فَفَسَقَ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِ
Allah zegt (18:50): “…zij knielden neer, behalve Iblies: hij behoorde tot de djinn en hij overtrad het bevel van zijn Heer.” De tekst is ondubbelzinnig: Iblies is géén engel, hij is van de djinn, en zijn opstand tegen het bevel van Allah past al helemaal niet bij een engel: de engelen zijn geschapen uit licht en ongehoorzamen hun Heer niet (66:6; sahieh Muslim 2996).
De bewering “Iblies was een engel” steunt op overleveringen waarvan geen enkele sahieh is, de ketens zijn zwak, verbroken of aangevallen, en de toeschrijvingen aan metgezellen zijn onbewezen. De enige sahieh-uitspraak van de salaf over deze kwestie (al-Hasan al-Basrie) bevestigt juist dat Iblies van de djinn is. Zie de volledige keten-analyse met de bewijsladder op onze pagina “Was Iblies ooit een engel?”.
Wie zijn deze tafsieer-schrijvers, en hebben zij het zelf gezegd?
Gevraagd is: hebben at-Tabari en al-Qoertoebie de engel-mening werkelijk als hun eigen keuze uitgesproken, of werd zij door de tafsier alleen maar doorgegeven? Het antwoord uit hun eigen boeken:
At-Tabari (overleden in 923): schrijver van het grote “Djaami’ al-Bayaan”, koos haar inderdaad in eigen woorden. Bij soerah al-Baqarah (2:34) zegt hij (“qaa’la Aboe Dja’far”): het uitzonderingsverband in het bevel aan de engelen, “behalve Iblies”, wijst erop dat Iblies onder hen was; en “djinn” betekent in de taal “het verborgene”, dus ook de engelen vallen daaronder. De tegenargumenten (Iblies is uit vuur, de engelen niet) noemt hij “bewijzen die de zwakte van hun eigenaars verraden”. Bij 18:50 zélf kiest hij niet opnieuw: hij verwijst terug naar al-Baqarah, “wij hebben dit eerder in ons boek behandeld”.
Al-Qoertoebie (overleden in 1273): schrijver van “al-Djaami’ li-Ahkaam al-Qor’aan”, schrijft bij 2:34 dat de engel-mening de mening was van “de meerderheid”: Ibn ‘Abbaas, Ibn Mas’oed, Ibn Djoeraydj, Ibn al-Moesayyab en Qataada, en noemt haar “het duidelijke van het vers”; hij vermeldt dat at-Tabari haar verkiest, en dat dit ook de keuze was van Aboe al-Hasan al-Ash’arie. Bij 18:50 verwijst ook hij terug naar al-Baqarah. Hij vermeldt in hetzelfde verband échter ook de tegenstemmen: Ibn Zayd en al-Hasan al-Basrie (“Iblies is de vader van de djinn, hij was geen engel”) en Sjahr ibn Hawshab (uit de djinn van de aarde die gevangen waren genomen), de tafsier zelf bevat dus beide kanten.
Ibn Kathier (overleden in 1373) schrijft over deze overleveringen: “in deze betekenis zijn veel athaar overgeleverd van de voorgangers, en het merendeel daarvan is isra’ieliyyaat die men slechts doorgeeft om naar te kijken; sommige daarvan is zeker verzonnen (maqtoe’ bi kidhbihi) omdat het strijdt met de waarheid die wij bezitten; in de Koran is voor alles wat daarnaast komt genoeg.” De enige sahieh-uitspraak die hij aanvaardt, is die van al-Hasan al-Basrie: “Iblies is nooit een moment een engel geweest, hij is de oorsprong van de djinn, zoals Adam de oorsprong van de mensen is.”
En hebben zij het werkelijk zélf geschreven? Ja: allen schreven hun tafsier in eigen leven, niemand heeft het na hen aangevuld. At-Tabari en al-Qoertoebie voltooiden hun boeken zelf (overleden in 923 resp. 1273). Ibn Kathier schreef ruim de helft al tijdens het leven van zijn leraar al-Mizzie (overleden in 1341), bij soerah al-Anbiyaa’ bidt hij voor diens lange leven, en zijn tijdgenoot al-Zayla’ie (overleden in 1360) citeerde de tafsier al vóór 1360. Het oudste, Mekkaanse handschrift draagt de voltooiingsdatum: vrijdag 10 djumaada al-aachira 759, vijftien jaar vóór zijn overlijden (overleden in 1373). De naam op dat handschrift, Mohammed ibn Ahmed ibn Mo’ammar al-Maqri’ al-Baghdaadie, is de overschrijver van de kopie, geen tweede auteur.
En wat was hun geloofsleer? At-Tabari was een groot-imaam van Ahl as-Soennah op de weg van de salaf. Zijn eigen geloofsboek “Sarih as-Soennah” zegt het: de eigenschappen van Allah gelden op hun uiterlijke betekenis, zonder verdraaien, zonder ontkennen, zonder vragen naar hoe. De Koran is het Woord van Allah, niet geschapen, en het geloof neemt toe en af. En tóch koos deze athari-imaam de engel-lezing bij 2:34: voor hem was het een taalkundige tafsier-kwestie, geen geloofsleer. Al- Qoertoebie was Maalikie in het recht en volgde in geloofszaken de Ash’arie-school, vooral in het uitleggen van de eigenschappen, waarin hij steunt op al-Djoewaynie, al-Asfaraayienie, ar-Raazie en Ibn ‘Atiyya. Door die bril noemde hij de engel-mening “het duidelijke van het vers”, en hij meldt zelf dat dit ook de keuze van Aboe al-Hasan al-Ash’arie was. Ibn Kathier ten slotte, student van Ibn Taymiyyah en op de weg van de salaf, aanvaardt van alle overleveringen alleen de sahieh-uitspraak van al-Hasan al-Basrie.
De conclusie: dit is een tafsieer-arbeid van grote imams, de ene athari, de andere ash’arie. Zij werden niet van ongeloof beschuldigd; geen van hen maakte er een geloofsleer van. Het beste bewijs is at-Tabari zelf: een imaam die de eigenschappen van Allah bevestigde koos tóch de engel-lezing, omdat hij haar las als taalkundige kwestie, niet als aqiedah. Hun excuus was dat zij 18:50 zó lazen dat het vers met hun mening kon bestaan. Maar een tafsieer-mening bouwt geen geloofsleer (zie het eerste kader): de aqiedah komt uit de teksten, en de teksten zijn duidelijk. Wie vandaag, met ál het bewijs erbij, Tabari’s lezing toch nadoet, volgt een weg waarvan de fundamenten zijn weggevallen: volhouden ná het bewijs is het vers naast zich neerleggen.
Bronnen: Koran 18:50 · Koran 66:6 en sahieh Muslim 2996 · at-Tabari, at-Tafsier 2:34, zijn eigen keuze · al-Qoertoebie, al-Djaami’ 2:34, de meerderheid en Tabari · Ibn Kathier, oudste handschrift 759, zelf voltooid (shamela) · at-Tabari, Sarih as-Soennah, zijn geloofsleer (shamela) · al-Qoertoebie en de Ash’arie-school in de eigenschappen (al-Moesjeyqih) · Naar: Was Iblies ooit een engel? (bewijsladder)
Zie ook: waar komt die aqiedah van de salaf vandaan, en welke geleerden legden haar uit, van imām Ahmad tot Ibn Taymiyyah? → De aqiedah van de salaf
Na het vestigen van het bewijs: volhouden is de tekst verwerpen
Wie vandaag, nadat het bewijs gevestigd is: de expliciete verzen én de keten-analyse, volhoudt dat de duivel een engel was, zegt daarmee: “het vers betekent niet wat er staat.” Dat is geen zwakke uitleg meer volgen: dat is de tekst zélf verwerpen. En over die daad is de stelregel van de geleerden hard, Ibn Baaz: “Wie de Koran ontkent, of een deel ervan, is ongelovig bij consensus van de moslims.” (fatwa 1809)
En wie daarbij zegt: “ik weet het beter dan Allah”, dat is precies de hoogmoed van Iblies zelf, die tegen zijn Heer zei: “Ik ben beter dan hij; U hebt mij uit vuur geschapen en hem uit klei.” (7:12, 38:76) De Koran beschrijft degene die zijn eigen oordeel boven de openbaring stelt als degene die zijn begeerte als god neemt (45:23). Dat is geen onschuldig verschil van uitleg meer, dat is de daad van wie zijn eigen mening boven het Woord van Allah plaats.
قَالَ مَا مَنَعَكَ أَلَّا تَسْجُدَ إِذْ أَمَرْتُكَ ۖ قَالَ أَنَا۠ خَيْرٌۭ مِّنْهُ خَلَقْتَنِى مِن نَّارٍۢ وَخَلَقْتَهُۥ مِن طِينٍۢ
قَالَ أَنَا۠ خَيْرٌۭ مِّنْهُ ۖ خَلَقْتَنِى مِن نَّارٍۢ وَخَلَقْتَهُۥ مِن طِينٍۢ
Daad en persoon, ook hier: de daad hard benoemen, de persoon blijft bij de geleerden. Wie onwetend de zwakke overlevering volgde, wordt onderwezen en keert terug. Wie ná het bewijs volhoudt, wordt door de geleerden opgeroepen; het oordeel over hem komt pas met de voorwaarden (zie de persoon-sectie hieronder).
Bronnen: Ibn Baaz, fatwa 1809 (vers ontkennen = kufr bij consensus) · Koran 7:12 en 38:76 (de hoogmoed van Iblies) · Koran 45:23 (de begeerte als god)
De tweede kant: waarover geen meningsverschil kan zijn
Wat is “noodzakelijk bekend uit de religie”?
Al-ma’loem min ad-dien bid-daroerah, de zaken die iedere moslim noodzakelijk weet: de verplichtingen die de Koran en de soennah met zekerheid hebben vastgesteld en waarover de hele oemmah het eens is. Voorbeelden:
- • dat Allah Eén is en dat Muhammad ﷺ Zijn boodschapper is,
- • dat de vijf dagelijkse gebeden verplicht zijn,
- • dat de zakaat, het vasten van de Ramadan en de hadj verplicht zijn,
- • dat zina, alcohol, woeker, het doden zonder recht en de afgoderij (shirk) verboden zijn,
- • dat het Paradijs en de Hel waar zijn, en de opstanding.
Over de details (de bijzonderheden van sommige bepalingen) kan wel verschil zijn, maar over het fundament niet. Ibn Taymiyyah: “Wie de verplichting ontkent van wat duidelijk en algemeen bekend is, zoals de vijf gebeden, het vasten van de Ramadan, de hadj, of het verbod op wat duidelijk en algemeen bekend is, zoals zina, alcohol en het gokspel, die is een ongelovige afvallige: hij wordt opgeroepen tot berouw en anders gedood.” (Majmoe’ al-Fataawaa 11/405)
De uitspraak van Ibn Baaz over de ontkenner
مَنْ جَحَدَ مَا أَوْجَبَهُ اللَّهُ مِنَ الْأُمُورِ الْمَعْلُومَةِ مِنَ الدِّينِ بِالضَّرُورَةِ كَفَرَ إِجْمَاعًا
Ibn Baaz zei: “Wie ontkent wat Allah verplicht heeft van de zaken die noodzakelijk bekend zijn uit de religie, zoals de verplichting van het gebed, de zakaat en het vasten, ook al verricht hij ze wél, die is bij consensus een ongelovige en behoort tot de afgodendienaren, moge Allah ons beschermen. En evenzo wie ontkent wat Allah verboden heeft met duidelijke, categorische bewijzen, zoals zina, alcohol of het ongehoorzaam zijn aan de ouders, die is bij consensus een ongelovige.”
De drie lagen, en waar de grens ligt
De geleerden (onder wie an-Nawawie en al-Mardaawie) leggen uit dat niet elke kwestie hetzelfde is:
- ①Noodzakelijk bekend uit de religie: geen twijfel mogelijk, geleerd en leek weten het: ontkenning is ongeloof. (Gebed, zakaat, hadj, het verbod op zina en alcohol…)
- ②Duidelijk en overeengekomen, maar niet “noodzakelijk”: zaken die in de teksten staan en algemeen bekend zijn: de ontkenner is ongelovig volgens de sterkste opvatting van de geleerden.
- ③Verborgen zaken, alleen bekend bij de specialisten: zoals ingewikkelde erfeniskwesties: de ontkenner wordt niet ongelovig verklaard, omdat onwetendheid hier een excuus is. Men leert hem de juiste uitleg.
De les: hoe algemener en duidelijker de zaak, hoe zwaarder de ontkenning. En hoe verborgen de zaak, hoe groter het excuus van de onwetende. Takfier begint pas waar de waarheid geen twijfel meer toelaat.
Bron: islamqa 239023 (de drie soorten kwesties; an-Nawawie, Rawdah 2/146)
Daad is daad: de persoon blijft bij de geleerden
De stelregel over de daad (de ontkenning van het noodzakelijk bekende) is hard. Het oordeel over de persoon is een tweede stap, met voorwaarden:
- ①Het bewijs moet de persoon hebben bereikt (iqaamat al-hujjah). De nieuweling in de Islaam en wie in een ver land opgroeide zonder kennis, worden eerst onderwezen, en pas beschuldigd als zij blijven ontkennen nádat het bewijs tot hen kwam.
- ②De onwetende wordt uitgezonderd: net als de gedwongene en degene die het verkeerd heeft begrepen. De geleerden maken hierin geen haast; zij roepen eerst op en onderwijzen.
- ③Het uitspreken is aan de geleerden: en bij een ongelovige die weigert terug te keren, aan de gezagdrager (wali al-amr). De Lajnah ad-Daa’ima: “Het takfir over een bepaald persoon is, wanneer hij een als noodzakelijk bekende zaak ontkent, nádat de mededeling hem bereikte, verplicht; hij wordt aangespoord; bekeert hij zich niet, dan is het de plicht van de gezagdrager hem terecht te stellen.”
- ④En de waarschuwing van de Profeet ﷺ: “Wie tegen zijn broeder zegt: ‘O ongelovige’, dan keert dat [oordeel] terug op een van beiden.” (al-Boekhaarie 6103, Muslim), lichtzinnig takfier is zelf een levensgevaarlijke daad.
De grens in twee richtingen: wie een zwakke of afwijkende uitleg volgt die geleerden bespraken, wij weerleggen de uitleg, wij beschuldigen hem niet. Maar wie ronduit zegt “het vers betekent niet wat er staat” of “Allah zegt dat niet”, die verwerpt de tekst zelf, en die daad is ongeloof bij consensus (Ibn Baaz). Daad hard benoemen, persoon voorzichtig: de geleerden bepalen, niet de leken.
Bronnen: Lajnah ad-Daa’ima: takfir van de persoon (Fataawa, deel 2, blz. 140) · islamweb 280663: onwetende pas na het vestigen van het bewijs · Ibn Baaz, fatwa 1809 (vers ontkennen = kufr) · Sahieh al-Boekhaarie 6103
De samenvatting
- ①Over uitleg en idjtihaad mag meningsverschil zijn, de fout wordt weerlegd met bewijs, de moejtahid krijgt zelfs een beloning (Muslim 1716).
- ②Over wat noodzakelijk bekend is uit de religie kan geen meningsverschil zijn, de ontkenning ervan is ongeloof bij consensus (Ibn Baaz, Ibn Taymiyyah, Ibn ‘Abdoel-Barr).
- ③Het oordeel over de persoon wacht op de voorwaarden: het bewijs moet hem bereikt hebben, de onwetende wordt uitgezonderd, en het uitspreken is aan de geleerden en de gezagdrager.
- ④Wie ná het gevestigde bewijs volhoudt tegen een duidelijke tekst, “het vers betekent niet wat er staat”, “ik weet het beter dan Allah”, verwerpt de tekst zelf: die daad is ongeloof bij consensus (Ibn Baaz); het oordeel over de persoon blijft aan de geleerden.
En als laatste: “Zeg: O Mijn dienaren die tegen zichzelf buitensporig zijn geweest, wanhoop niet aan de Barmhartigheid van Allah. Voorwaar, Allah vergeeft alle zonden.” (39:53) Deze pagina wil kennis geven en waarschuwen: geen oordelen over mensen. Dat behoort aan Allah en aan de geleerden van de openbaring toe.