هَلْ كَانَ إِبْلِيسُ مِنَ الْمَلَائِكَةِ؟
Was Iblies ooit een engel?
De bewering onderzocht: Koran, sahieh-soennah, alle athaar van de salaf, en de regel over takfier.
هَلْ كَانَ إِبْلِيسُ مِنَ الْمَلَائِكَةِ؟
Was Iblies ooit een engel?
De bewering onderzocht: Koran, sahieh-soennah, alle athaar van de salaf, en de regel over takfier.
De vraag
De bewering die rondgaat: “Iblies (de duivel) was oorspronkelijk een engel”: soms mét details: hij heette vroeger “Cazaziel”, hij was de belangrijkste engel, hij bewaakte de schatten van het Paradijs, en pas na zijn weigering te buigen voor Adam werd hij een gevallen engel of “een duivel”.
Wie dit beweert, zegt er vaak bij: “de metgezellen geloofden het ook”: daarmee wil men zeggen: het is geen dwaalleer, het is de weg van de salaf. Die twee beweringen moeten wij één voor één toetsen: aan de Koran, aan de sahieh-soennah, én aan de ketens (isnaad) van de uitspraken die aan de salaf worden toegeschreven.
Conclusie vooraf: de Koran zegt letterlijk dat Iblies van de djinn was (18:50). De verhalen over “Cazaziel” en “engel-stam genaamd djinn” komen uit zwakke overleveringen en Israëlitische verhalen (israa’ieliyyaat). En niemand van de geleerden heeft ooit degene die zo’n overlevering als uitleg vertelt ongelovig verklaard, zie de laatste sectie. Maar wel degene tegen wie het vers is aangekomen en aan wie duidelijkheid is verschaft volgens de voorwaarden die de geleerden stellen: dat de athaar zwak is en dat geen van de salaf daarin geloofde, al zouden zij haar hebben overgeleverd. Wie dán nog zegt dat de duivel wél een engel was, ontkent de tekst van de Koran zelf en is daarom kaffir; en zeker wanneer hij verder gaat en ernaar uitnodigt. Want overleveren is één zaak, en geloven is een andere: de athaar doorvertellen is geen geloven ervan, en wie haar wél gelooft tegenover het koran-vers in, overschrijdt de grens.
Wat zegt de Koran?
وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَائِكَةِ اسْجُدُوا لِآدَمَ فَسَجَدُوا إِلَّا إِبْلِيسَ كَانَ مِنَ الْجِنِّ فَفَسَقَ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِ
“En toen Wij tot de engelen zeiden: buigt neer voor Adam, en zij bogen neer, behalve Iblies; hij was van de djinn, en hij overtrad het bevel van zijn Heer…”
Bron: Koran 18:50 (al-Kahf)
Let op de woordkeus: niet “hij was een engel die ontspoorde”, maar “hij was van de djinn”. De Koran verklaart zo ook waarom hij ongehoorzaam kon worden: de djinn hebben de keuze tussen gehoor- zaamheid en ongehoorzaamheid, de engelen niet.
لَا يَعْصُونَ اللَّهَ مَا أَمَرَهُمْ وَيَفْعَلُونَ مَا يُؤْمَرُونَ
“Zij [de engelen] weerstaan Allah niet in wat Hij hun beveelt, en zij doen wat hun bevolen wordt.”
Bron: Koran 66:6 (at-Tahriem)
En: “Zij spreken niet vóór Hem uit, en zij handelen op Zijn bevel.”, Koran 21:27 (al-Anbiyaa’).
لَا يَسْبِقُونَهُۥ بِٱلْقَوْلِ وَهُم بِأَمْرِهِۦ يَعْمَلُونَ
Dit is het fundament van de weerlegging: een schepsel dat uit vuur is geschapen en dat kufr (ongeloof) beging, kan geen engel zijn, de engelen zijn geschapen uit licht (Sahieh Muslim 2996, zie onze pagina “Engelen & de duivel”) en kunnen geen kufr begaan.
قَالَ أَنَا خَيْرٌ مِنْهُ خَلَقْتَنِي مِن نَّارٍ وَخَلَقْتَهُ مِن طِينٍ
“Hij zei: ik ben beter dan hij; U heeft mij uit vuur geschapen en hem uit klei.”
Bronnen: Koran 7:12 (al-A’raaf) · Koran 38:76 (Saad) · Koran 15:27 en 55:15
Ibn Hazm (moge Allah hem genadig zijn) maakte hier een korte redenering: de engelen zijn geschapen uit licht, en licht is geen vuur. Wie dus zegt dat Iblies uit vuur is geschapen, zegt daarmee dat hij geen engel is. En de Koran bevestigt dat Iblies nageslacht heeft (“…en zijn nageslacht”, 18:50), terwijl de engelen geen nageslacht hebben.
Maar wat betekent dan “behalve Iblies”?
Tegenwerping: in 2:34 staat: “En toen Wij tot de engelen zeiden: buigt neer voor Adam, en zij bogen neer, behalve Iblies.” De uitzondering aan de engelen koppelen, lijkt te zeggen dat hij er een van was.
De geleerden leggen uit dat hij onder het bevel viel omdat hij bij de engelen leefde en met hen aanbad: zoals een bondgenoot van een stam met de naam van die stam wordt genoemd (ash-Shanqietie). Ibn Kathier: hij had zich aan hen gelijkgesteld in aanbidding en vroomheid, daarom werd hij in hun bevel meegenomen. De Lajnah ad-Daa’ima (het vaste comité van grote geleerden): “het karakter van Iblies gaf hem echter prijs”, hij kon niet buigen.
Bron: Ibn Kathier, Tafsier, zie al-Albaanie, Silsila adh-Dha’iefa 2/311–312
Alle uitspraken van de salaf: getoetst op hun keten
Van de metgezellen en de tabi’ien zijn overleveringen (athaar) bewaard over de herkomst van Iblies. Wij zetten ze hier volledig op een rij, met de keten zoals opgetekend, en het oordeel van de geleerden van de hadieth.
① Al-Hasan al-Basrie (tabi’ie): “Nooit, zelfs geen oogwenk”
مَا كَانَ إِبْلِيسُ مِنَ الْمَلَائِكَةِ طَرْفَةَ عَيْنٍ قَطُّ، وَإِنَّهُ لَأَصْلُ الْجِنِّ، كَمَا أَنَّ آدَمَ أَصْلُ الْإِنْسِ
“Iblies is nooit een engel geweest, zelfs geen oogwenk. Hij is de stamvader van de djinn, zoals Adam de stamvader van de mensen is.”
Opgetekend door Ibn Djarir at-Tabari in zijn Tafsier. De geleerden verklaarden de keten sahieh: de Lajnah ad-Daa’ima bevestigde: “overgeleverd door Ibn Djarir met een sahieh-keten”, al-Albaanie bevestigde dat eveneens (“het is sahieh overgeleverd van al-Hasan al-Basrie”).
Bronnen: Ibn Djarir at-Tabari, Tafsier, zie Lajnah ad-Daa’ima, fatwa’s · al-Albaanie, Silsila adh-Dha’iefa 2/311–312
Oordeel: SAHIEH, en het is tégen de bewering.
② Ibn ‘Abbaas 1: “hij was van een stam van de engelen, die men djinn noemde”, met de naam “al-Haarith”
“Iblies was van een stam van de engelen, die men ‘djinn’ noemde; zij waren geschapen uit het vuur van de samum (gloeiende wind), als enige stam onder de engelen… Zijn naam was al-Haarith, en hij was een van de bewaarders van het Paradijs.”
Keten bij at-Tabari (1/536 en 15/286): Aboe Koerayb ← ‘Oethmaan ibn Sa’ied ← Bishr ibn ‘Oemaarah ← Aboe Rawq ← adh-Dhahhaak ← Ibn ‘Abbaas.
- • Bishr ibn ‘Oemaarah al-Khath’amie: zwak; ad-Daaraqutnie zei zelfs: “metrûk” (zijn overlevering wordt verlaten).
- • adh-Dhahhaak ibn Mozaahim heeft Ibn ‘Abbaas nooit ontmoet: de keten is dus gebroken (moenqati’). Ibn Abie Haatim noteerde letterlijk: “Ik vroeg adh-Dhahhaak: heb je Ibn ‘Abbaas gehoord? Hij zei: nee.” Ook de imam Shoebah overleverde hetzelfde.
Bronnen: at-Tabari, Tafsier 1/536 en 15/286 · Ibn Abie Haatim, al-Maraasiel 94 (bewijs: adh-Dhahhaak heeft Ibn ‘Abbaas niet gehoord)
Oordeel: ZWAK + GEBROKEN keten. Ibn Kathier noteerde bij deze overlevering “gharieb” (vreemd).
③ Ibn ‘Abbaas 2: “vóór de zonde was hij een engel, genaamd Cazaziel”
“Iblies was, vóór hij de zonde beging, een van de engelen; zijn naam was Cazaziel. Hij behoorde tot de bewoners van de aarde en was de ijverigste van de engelen en degene die het meeste wist, en juist dat bracht hem tot hoogmoed; hij was van een stam die men ‘djinn’ noemde.”
Keten bij at-Tabari (15/286): Ibn Hoemayd ← Salamah ← Muhammad ibn Ishaaq ← Khallād ibn ‘Ataa’ ← Taawoes ← Ibn ‘Abbaas.
- • Khallād ibn ‘Ataa’: al-Boekhaarie zei van hem: “moenkar al-hadieth” (zijn overleveringen zijn verwerpelijk).
- • Muhammad ibn Ishaaq: betrouwbaar in de maghaazie, maar berucht om tadlies (het verbergen van zwakke tussenpersonen); hier verklaarde hij niet dat hij het gehoord had.
- • Ibn Hoemayd (Mohammad ibn Hoemayd ar-Raazie), door de geleerden als zwak aangemerkt.
Bron: at-Tabari, Tafsier 15/286
Oordeel: ZEER ZWAK (meerdere aangevallen overleveraars + tadlies).
④ Ibn ‘Abbaas 3 en ‘Ikrimah-versies: “meest eervolle engel”, “vier vleugels”, “geschapen uit vuur onder de engelen”
In de geschiedenis van at-Tabari (1/81–82) en in de boeken van Aboe ash-Shaykh (al-’Adhamah) en al-Anbaarie (al-Adhdaad) komen nog varianten voor: “Iblies was van de meest eervolle engelen en de edelste stam, hij was schatbewaarder van de tuinen, had vier vleugels…” en via ‘Ikrimah: “Iblies was van de engelen; toen hij ongehoorzaam was, maakte Allah hem een vervloekte satan.”
Die ketens lopen óf weer via adh-Dhahhaak (die Ibn ‘Abbaas niet hoorde), óf via overleveraars die de critici hebben aangevallen: Simāk ibn Harb (wiens geheugen op latere leeftijd achteruitging) en Shoebayb ibn Bishr (zwak verklaard). Geen enkele variant houdt stand.
Bron: Aboe ash-Shaykh, al-’Adhamah 5/1682 en al-Anbaarie, al-Adhdaad (beide zwakke ketens)
Oordeel: ALLE varianten ZWAK.
⑤ De claim “de metgezellen geloofden het”, hoe zit dat?
Al-Qoertoebie schreef in zijn Tafsier: “Dat hij van de engelen is, is het standpunt van de meerderheid: Ibn ‘Abbaas, Ibn Mas’oed, Ibn Djoeraydj, Ibn al-Moesayyab, Qotaada en anderen, en at-Tabari koos het.” Ibn Kathier vermeldde in al-Bidaayah: “Ibn Mas’oed, Ibn ‘Abbaas en een groep metgezellen en Sa’ied ibn al-Moesayyab zeiden: Iblies was het hoofd van de engelen van de laagste hemel.”
Eerlijk gezegd: de mening is dus wél aan metgezellen toegeschreven: maar zonder deugdelijke ketens, en juist dáárom kunnen wij haar niet als “het geloof van de metgezellen” presenteren. De gedetailleerde overleveringen zijn alle zwak; de toeschrijvingen in de tafsier-boeken zijn verzamelnotities zonder isnaad. En de sterke bronnen (18:50, 66:6, Muslim 2996, de sahieh-uitspraak van al-Hasan) staan ertegenover.
Ash-Shanqietie zei het scherp: “Alles wat de interpretatoren overleveren van een groep salaf, zoals Ibn ‘Abbaas en anderen, dat Iblies van de voornaamste engelen was, van de schatbewaarders van het Paradijs, dat hij het bestuur van de laagste hemel voerde en dat zijn naam Cazaziel was, dat is allemaal van de Israëlietische overleveringen (israa’ieliyyaat) waarop niets is op te bouwen.”
Bron: ash-Shanqietie, Adhwaa’ al-Bayaan (geciteerd in islamqa 22232)
Oordeel: toeschrijving zonder deugdelijke keten; inhoud is israa'ieliyyaat.
De overleveraars streng getoetst: wie waren zij eigenlijk?
Een toeschrijving (“Ibn ‘Abbaas zei…”) is pas bewijs als de overleveraars tussen hem en het boek streng worden getoetst: betrouwbaarheid, geheugen, verwarring, het verhullen van een zwakke tussenpersoon (tadlies), en of zij de metgezel werkelijk hebben gehoord. Hieronder het onderzoek per overleveraar in álle ketens van de engel-mening:
| Overleveraar | Oordeel en reden | Gevolg |
|---|---|---|
| Bishr ibn ‘Oemaarah | ad-Daaraqutnie: “metroek”, zijn overlevering wordt verlaten | keten ② verworpen |
| adh-Dhahhaak ibn Mozaahim | zelf eerlijk, maar gaf toe Ibn ‘Abbaas nooit gehoord te hebben (Ibn Abie Haatim, al-Maraasiel; ook Shoebah) | keten ② gebroken (moenqati‘) |
| Muhammad ibn Ishaaq | thiqah in de maghaazie, maar berucht mudallis; zei hier niet “ik heb gehoord” | keten ③ slot op de lacune |
| Khallād ibn ‘Ataa’ | al-Boekhaarie: “moenkar al-hadieth” (zijn overleveringen zijn verwerpelijk) | keten ③ onbruikbaar |
| Ibn Hoemayd ar-Raazie | Aboe Haatim: zeer zwak; door anderen “metroek” genoemd | keten ③ wankelt aan de top |
| Taawoes / Moedjaahid | beiden betrouwbaar, maar de ketens wisselen: “Taawoes óf Moedjaahid”, “Ibn ‘Abbaas en anderen”: teken van verwarring over wie het zei | toeschrijving aan Ibn ‘Abbaas onzeker |
| Ibn Djoeraydj | thiqah, maar overleed tachtig jaar ná Ibn ‘Abbaas: “qaala Ibn ‘Abbaas” = moersal | keten ④ gebroken (moersal) |
| Schakels vóór Ibn Djoeraydj | al-Qaasim, al-Hoessayn, Hidjaadj: geen gevestigde betrouwbaarheid, geen tasrieh | geen bewijs |
| Simāk ibn Harb | thiqah, maar geheugen achteruit op latere leeftijd (ikhtilaat) | ‘Ikrimah-variant onbetrouwbaar |
| Shoebayb ibn Bishr | door de critici zwak verklaard | ‘Ikrimah-variant afgevallen |
| ‘Ikrimah | zelf betrouwbaar (student van Ibn ‘Abbaas), maar zijn uitspraak hierover bereikt ons uitsluitend via Simāk en Shoebayb | geen zelfstandig bewijs |
| Sa’ied ibn Djobeir | groot geleerde, maar zijn “chazana al-djinaan”- varianten lopen via A’mach (mudallis) en Habieb ibn Abie Thaabit (mudallis), of via onbestudeerde paden | niet onaangevallen |
| Qataada (keten naar Sa’ied ibn al-Moesayyab) | Ibn al-Madie-nie: “ik verzwak deze overleveringen bijzonder; ik vermoed dat de meeste inqitaa‘ hebben tussen Qataada en Sa’ied” (Tahdhiib at-Tahdhiib 3/430); Yahya ibn Ma’ien: Qataada hoorde niet van Sa’ied ibn Djobeir, noch van Moedjaahid | sterkste ‘engel-keten’ faalt op gehoor |
| Sallaam ibn Miskien | thiqah, niets op aan te merken | n.v.t. (probleem ligt vóór hem) |
| Sa’ied ibn al-Moesayyab | zelf de grootste tabi’ie en betrouwbaar, maar zijn woorden bereiken ons alleen via Qataada | onbewezen |
| Familie-keten Muhammad ibn Sa’d (“chazien al-djinaan”) | onbekende en zwakke schakels | geen bewijs |
Ter aanvulling: Qataada’s eigen geverifieerde uitspraken (nageslacht dat zich voortplant zoals Bani Adam) wijzen juist naar de djinn, dat al-Qoertoebie hem bij de engel-mening plaatste, heeft geen deugdelijke keten.
Geen enkele keten zonder vlek. Niemand zegt dat de metgezellen zelf gelogen hebben, maar dat is niet de vraag. De vraag is of hun woorden ons via betrouwbare wegen hebben bereikt. En dat kan niet worden bewezen: verlaten overleveraars (metroek), verwerpelijke (moenkar al-hadieth), mudallis, vergeetachtigen, en bovenal overleveraars die de metgezel nooit hebben gehoord.
Bronnen: at-Tabari, Tafsier 15/286–287 (alle ketens) · Tahdhiib at-Tahdhiib 3/430 (Qataada, Ibn al-Madie-nie) · Ibn Kathier, al-Bidaayah 1/115 (groeps-attributie Ibn Mas’oed e.a.) · ad-Doerr al-Manthoer, 18:50 (alle vroege rijwajaan op een rij) · islamink: keten-onderzoek per variante
Wie verklaarden wat zwak: en waarom
| Overlevering | Gebrek in de keten | Wie oordeelde |
|---|---|---|
| Ibn ‘Abbaas 1 (stam “djinn”, al-Haarith) | Bishr ibn ‘Oemaarah zwak (ad-Daaraqutnie: metrûk) + adh-Dhahhaak heeft Ibn ‘Abbaas niet gehoord (gebroken keten) | Ibn Kathier: “gharieb”; onderzoek van de ketens |
| Ibn ‘Abbaas 2 (Cazaziel) | Khallād ibn ‘Ataa’ (al-Boekhaarie: moenkar al-hadieth) + Ibn Ishaaq tadlies + Ibn Hoemayd zwak | al-Albaanie: “waarvan de keten niet sahieh is” (Silsila adh-Dha’iefa) |
| ‘Ikrimah-versies (Simāk/Shoebayb) | Simāk: geheugen achteruit; Shoebayb ibn Bishr zwak | critici van de overleveraars (al-Miezaan e.a.) |
| Details (Cazaziel, vier vleugels, schatbewaarder) | Geen enkele sahieh-keten; afkomstig uit Israëlitische verhalen | ash-Shanqietie; al-Albaanie; Lajnah ad-Daa’ima |
Ter vergelijking: de uitspraak van al-Hasan al-Basrie (tegen de engel-status) is wél sahieh overgeleverd, zie ①.
De weerlegging: bewijs uit Koran en soennah
- 1De uitspraak van de Koran: “hij was van de djinn” (18:50). Ash-Shanqietie toonde aan dat de fā’ in “fa-fasaq” (en hij overtrad) oorzaak aangeeft, zoals “hij stal, dus zijn hand werd afgehakt”. De reden dat Iblies kon overtreden is juist dat hij van de djinn was; dat is precies het verschil met de engelen.
- 2Het scheppingsmateriaal: engelen uit licht (Muslim 2996); Iblies: “U heeft mij uit vuur geschapen” (7:12; 38:76). Ibn Hazm: licht is geen vuur, wie “uit vuur” is, is geen engel. De bewering dat hij “een stam van de engelen uit vuur” was, is precies de zwakke overlevering die wij hierboven hebben afgewezen.
- 3De onfeilbaarheid van de engelen: zij weerstaan Allah niet (66:6; 21:27) en zij kunnen geen kufr begaan. Iblies beging kufr, “hij weigerde en was hoogmoedig en behoorde tot de ongelovigen” (2:34). Hoe kan een wezen dat géén kufr kan begaan, kufr hebben begaan? (Al-Albaanie gebruikte precies dit als doorslag.)
- 4Nageslacht: “En nemen jullie hem en zijn nageslacht als beschermers?” (18:50), de djinn hebben nageslacht, de engelen niet (Ibn Hazm).
- 5De uitzondering verklaard: hij was niet van hen, maar leefde en aanbad met hen, daarom viel het bevel hem aan (Ibn Kathier; ash-Shanqietie: “zoals een bondgenoot met de naam van de stam wordt genoemd”).
En wie kozen dat hij van de djinn is? Ibn Taymiyyah en Ibn al-Qayyim kozen dat, en verder Ibn Kathier, ash-Shanqietie, de Lajnah ad-Daa’ima en al-Albaanie. Ibn Baaz noemde het in zijn fatwa een bekend meningsverschil en gaf de keuze van Ibn Taymiyyah en de onderzoekers door; al-Fawzaan noemde de engel-mening ronduit “een zwakke mening”.
Bronnen: Ibn Baaz, fatwa over het meningsverschil · al-Fawzaan: “dit is een zwakke mening” · Lajnah ad-Daa’ima
Takfier?: Ja en nee: wanneer de ja geldt en waarom de nee geldt
Soms wordt gevraagd: moeten wij degene die zegt “Iblies was een engel” niet ongelovig verklaren (takfier)? Dit is een zéér ernstige zaak, en de openbaring en de werkwijze van de geleerden geven hier een antwoord in twee delen: ja en nee.
De ja geldt voor de daad van tekst-ontkenning. Wie ná het duidelijke bewijs zegt: “het vers betekent niet wat er staat”, “Allah zegt dat niet”, die verwerpt de tekst van de Koran zelf. Over die daad zijn de geleerden hard: zij is kufr bij consensus (Ibn Baaz). Dat is punt 5 en 6 hieronder.
De nee geldt voor de persoon die een uitleg volgt. Wie een overgeleverde uitleg volgt, ook al is die zwak, zoals de mening dat Iblies een engel was, weerlegt men met bewijs, maar beschuldigt men niet. Het oordeel over de persoon ligt bij de geleerden, ná de oproep en met de voorwaarden. Dat is punt 1-4 en 7 hieronder.
- 1Het was een bekend meningsverschil (khilaaf) in de tafsier. Al-Qoertoebie schreef het standpunt toe aan Ibn ‘Abbaas, Ibn Mas’oed en anderen, en meldde dat at-Tabari het zelf koos. Niemand van de geleerden, vroeger of later, heeft van deze imams gezegd dat zij ongelovig waren. Wie vandaag takfier doet op deze mening, doet dus iets wat de salaf nooit hebben gedaan. En dit is precies de generatie van wie de Profeet ﷺ getuigde: “De beste mensen zijn mijn generatie, dan degenen die hen volgen, dan degenen die hen volgen.” (al-Boekhaarie 3651), hun overlevering van 18:50 en hun begrip ervan is de maatstaf, niet onze eigen toevoegingen.
- 2De late geleerden noemden het een fout, geen kufr. Al-Fawzaan: “een zwakke mening”. Al-Albaanie: “waarvan de keten niet sahieh is”. De Lajnah: weerlegd met de Koran. Niemand sprak het woord ongeloof uit. Zij weerlegden met bewijs, zoals het hoort.
- 3Takfier heeft voorwaarden. De geleerden van de soennah leggen uit: iemand wordt pas ongelovig verklaard als het bewijs is gevestigd en de voorwaarden zijn vervuld en de belemmeringen zijn weggevallen. Wie een vers verkeerd uitlegt op basis van zwakke overleveringen, en zeker wie een bestaande, door geleerden besproken mening volgt, is een moejtahid die een fout maakt: zijn fout wordt weerlegd, hij wordt niet beschuldigd.
- 4De waarschuwing van de Profeet ﷺ: “Wie tegen zijn broeder zegt: ‘O ongelovige’, dan keert dat [oordeel] terug op een van beiden.” (al-Boekhaarie 6103 en Muslim 60, zie ook onze hoofdpagina over kufr). Het lichtzinnig uitspreken van ongeloof is dus zelf een levensgevaarlijke daad.
- 5De grens: wie de tekst zelf ontkent. Bovenstaande geldt voor wie een overgeleverde uitleg volgt: ook al is die uitleg zwak. Wie daarentegen ronduit zegt: “de duivel was geen djinn”, “het vers betekent niet wat er staat”, “Allah zegt dat niet”, die verwerpt niet een uitleg, maar de tekst van de Koran zelf. Daarover is de stelregel van de geleerden hard; Ibn Baaz verwoordde haar zo: أما الآيات فلا شك أن من أنكرها فهو كافر، من أنكر القرآن أو بعض القرآن فهو كافر بإجماع المسلمين؛ لأنه مقطوع بأنه كلام الله, “Wat de verzen betreft: zonder twijfel is wie ze ontkent ongelovig. Wie de Koran ontkent, of een deel ervan, is ongelovig bij consensus van de moslims, omdat het met zekerheid vaststaat dat het het Woord van Allah is.” En Ibn Kathier bepaalde dezelfde grens in zijn tafsier: “wie een letter van het Boek van Allah ontkent, terwijl hij weet dat het vaststaat, is kaffir bij consensus”, en wie één vers ontkent, heeft de hele Koran ontkend. Eén vers wegzetten is dus het geheel wegzetten.
Ook wie eerst een tafsier volgde. Wie een overgeleverde uitleg volgde, is vrij van takfier, zolang de zaak een uitleg is. Maar wanneer hem duidelijk is gemaakt dat die tafsier strijdt met de koran-verzen, en hij zegt dan toch: “ik blijf geloven dat de duivel een engel was”, dan volgt hij geen uitleg meer, maar zijn eigen mening boven de verzen van Allah. Dat is kufr én shirk: kufr, omdat hij daarmee een koran-vers ontkent; en shirk, omdat hij zegt beter te weten dan Allah, hij neemt de plaats van Allah in als beoordelaar, volgt zijn begeerte in plaats van de openbaring en is hoogmoedig. Allah noemde deze hoogmoed bij Iblis Zelf kufr: أَبَى وَاسْتَكْبَرَ وَكَانَ مِنَ الْكَافِرِينَ “hij weigerde en was hoogmoedig en behoorde tot de ongelovigen” (2:34). De Profeet ﷺ waarschuwde juist tegen deze drie: “Wie niet oordeelt met wat Allah heeft neergezonden: zij zijn de ongelovigen” (al-Maa’idah 5:44, met de uitleg van Ibn ‘Abbaas) en tegen het volgen van de begeerte (al-Qasas 28:50) en tegen de hoogmoed (Muslim 91).
- 6Waarom is dit kufr? Het raakt meerdere vlakken. Wie zegt: “de duivel was een engel”, zegt daarmee niet één ding, maar meerdere, en elk van die dingen strijdt met de tekst van de Koran.
- 1. Het spreekt over Djibriel en de openbaring. Als een engel een vrije wil had en ongehoorzaam kon worden, dan kon Djibriel, de engel van de openbaring, dat ook: ongehoorzaam tijdens het neerzenden van de Koran. Daarmee wordt gezegd dat de openbaring niet betrouwbaar is aangekomen. Maar Allah noemt deze engel de trouwe Geest die de Koran op het hart neerzond: نَزَلَ بِهِ الرُّوحُ الْأَمِينُ عَلَى قَلْبِكَ (26:193-194), en zegt: إِنَّا نَحْنُ نَزَّلْنَا الذِّكْرَ وَإِنَّا لَهُ لَحَافِظُونَ (15:9), “Wij hebben de Vermaning neergezonden en Wij zullen haar zeker bewaren.”
- 2. Het verwart twee verschillende schepsels. De engel is uit licht geschapen en de djinn uit vuur (Muslim 2996), twee schepsels, ieder met zijn eigen schepping. De duivel is van de djinn (18:50), geen gevallen engel. Wie zegt dat een engel in een duivel veranderde, of dat de duivel macht had over de engelen, zegt dat het ene schepsel in het andere omsloeg, en ontkent zo wat Allah over Zijn schepping heeft meegedeeld.
- 3. Het tast de imaan-zuil aan. Geloof in de engelen is een van de zes zuilen van het geloof: آمَنَ الرَّسُولُ بِمَا أُنْزِلَ إِلَيْهِ مِنْ رَبِّهِ وَالْمُؤْمِنُونَ كُلٌّ آمَنَ بِاللَّهِ وَمَلَائِكَتِهِ وَكُتُبِهِ وَرُسُلِهِ (2:285), “de Boodschapper en de gelovigen geloven in Allah, Zijn engelen, Zijn Boeken en Zijn boodschappers.” Wie gelooft dat een engel in een duivel kon veranderen, of dat de duivel macht had over de engelen, gelooft niet in de engelen zoals Allah ons dat leerde, het fundament van de imaan wordt zo ontkend.
- 4. Daarom: geen moslim meer. De engelen gehoorzamen Allah alleen en niemand anders dan Hem: لَا يَعْصُونَ اللَّهَ مَا أَمَرَهُمْ وَيَفْعَلُونَ مَا يُؤْمَرُونَ (66:6), “zij zijn Allah niet ongehoorzaam in wat Hij hun beveelt, en zij doen wat hun bevolen wordt.” Wie de verzen ontkent die dit zeggen, verwerpt de tekst van de Koran zelf. Die daad is bij consensus van de geleerden kufr (Ibn Baaz), en wie haar begaat, treedt uit het geloof. Het oordeel over de persoon blijft zoals hierna bij de geleerden, ná de oproep, maar de daad is benoemd.
- 7Toch geen vrijbrief voor leken, de persoon blijft bij de geleerden. Het oordeel over de daad is de stelregel; het oordeel over de persoon is een tweede stap. De Lajnah ad-Daa’ima: “Het takfir over een bepaald persoon is, wanneer hij een als noodzakelijk bekende zaak van de religie ontkent, nádat de mededeling hem bereikte, verplicht; hij wordt aangespoord; bekeert hij zich niet, dan is het de plicht van de gezagdrager (wali al-amr) hem vanwege zijn ongeloof terecht te stellen.” En wie onwetend is, wordt niet gekwalificeerd vóórdat het bewijs tegen hem is gevestigd (islamweb: “als de ontkenner onwetend is, wordt hij pas ongelovig verklaard nadat het bewijs tegen hem is gevestigd”). Al-Albaanie stelde dezelfde regel: “wie iets ontkent dat in de religie vaststaat is kaffir: wanneer hij wist dat het van de religie is en het daarna ontkende; wie het ontkent zonder te weten dat de Profeet ﷺ ermee kwam, wordt pas gekwalificeerd nádat het bewijs tegen hem is gevestigd” (Mawsoe‘ah al-‘Aqiedah). Daarom: de daad hard benoemen, de persoon voorzichtig, de geleerden roepen eerst op en onderwijzen, en bepalen dan pas het oordeel.
De juiste weg: wij zeggen: deze bewering klopt niet, zij strijdt met de Koran (18:50), de sahieh-soennah (Muslim 2996) en de sahieh-uitspraak van al-Hasan al-Basrie, en de overleveringen waarop zij steunt zijn zwak. Wie haar volgt als overgeleverde uitleg: wij weerleggen zijn bewijs en nodigen hem uit tot de waarheid; wij zeggen NIET dat hij ongelovig is. Maar wie na het duidelijke bewijs zegt dat het vers het niet zegt, of dat Allah het niet zegt, verwerpt de tekst van de Koran, en die daad hebben de geleerden als ongeloof benoemd (Ibn Baaz, bij consensus). Wie dat over een persoon uitspreekt, laat dat over aan de geleerden en de gezagdrager, na de oproep en met de voorwaarden (Lajnah). Het oordeel van ongeloof is en blijft een zaak van de geleerden op basis van de voorwaarden van de openbaring, en niet van leken met goede bedoelingen.
Wat betekent “na het duidelijke bewijs” concreet? De eerste keer dat iemand hoort dat de duivel volgens de Koran (18:50) van de djinn is, kan hij nog onwetend zijn, hij wordt onderwezen, niet veroordeeld. Maar wanneer de verzen hem zijn voorgelegd en uitgelegd, en hij zegt dan nog steeds: “de duivel was een engel, ik geloof de verzen niet”, dan blijft er geen uitleg meer over die hem beschermt. Hij volgt zijn eigen mening boven de tekst van Allah: dat is kufr (ontkenning van het vers) én shirk (hij stelt zichzelf boven Allah, volgt zijn begeerte en is hoogmoedig). Nogmaals: het oordeel over de persoon daarvan blijft bij de geleerden en de gezagdrager, maar wie deze weg bewandelt, weet dat hij daarmee de grens van de imaan overschrijdt.
Bronnen: Sahieh al-Boekhaarie 6103 · Sahieh al-Boekhaarie 3651, de drie beste generaties (Khair al-Quroon) · Koran 18:50 - 66:6 - 2:34 · Ibn Baaz, fatwa 1809 (vers ontkennen = kufr bij consensus) · Lajnah ad-Daa’ima: takfir van de persoon, oproep en voorwaarden (Fataawa, deel 2, blz. 140) · Ibn Kathier, tafsier (via islamway 33496): ontkenning van een letter van de Koran = kufr bij consensus · Al-Albaanie, Mawsoe‘ah al-‘Aqiedah: wanneer de ontkenner van het vastgestelde kaffir is · islamweb 280663: onwetende pas nadat het bewijs is gevestigd